Hubbers Hubbers

Verlichting door Prof. dr. Ir. Franz P. Ribbenkast

Hubbers interieurmakers

Sprekende over verlichting bedoel ik niet de Eeuw van de Rede.


De achttiende eeuw waarin wij ons ontworstelden aan de middeleeuwen, waarin de dageraad van de moderne mens gloorde in Europa. Nee, ik heb het over de erfenis van Thomas Edison en Frits Philips. Ontwikkeling en toepassing van de gloeilamp dus. Dat proces is niet geheel en al los te koppelen van de verlichting in ons hoofd, maar gezien de krappe ruimte die mij gegund is, beperk ik mij tot de duisternisbestrijding in ons interieur.

Die is allang niet meer puur functioneel. De term sfeerverlichting – persoonlijk krijg ik alleen van het woord al vlekken voor de ogen – zegt genoeg. Daarnaast, het zal u niet zijn ontgaan, is het al enige tijd bon ton om alles tot verlichtingsarmatuur te bombarderen. Onder het motto ‘Overal kan een peertje in’ knutselt iedereen er op los. Waarschijnlijk geïnspireerd door de beroemde flessenlamp van Tejo Remy, niet geheel toevallig een tijd- en plaatsgenoot, krijgt alles tegenwoordig een snoer en stekker.

Verlichting illustratie door Martin van Gelder

Het zou de grote denkers van De Verlichting pijn gedaan hebben om te zien hoezeer de bevordering van de wetenschap en de uitwisseling van intellectuele uitdagingen zijn gestrand in een ideeënloos moeras van epigonisme. Onlangs, juist op een moment dat ik dacht alles gezien te hebben, werd ik enorm verrast door de laatste creatie van een goede bekende. Boven zijn leesfauteuil had hij een gietijzeren bad met pootjes aan kettingen opgehangen. Met de afvoer naar boven. Daaruit kwam een snoer en in de kuip was een grote tl-bak gemonteerd.

“Ik kan nu zelfs zonder bril de krant lezen”, zei hij trots.

We leven in duistere tijden.

Huiselijke groet, prof. dr. Ir. Franz P. Ribbenkast